Oh, hoe groots de hemel als ik mij verhef,
mijn vleugels, zwart als nacht zelf,
uitgespreid als de oneindige mantel der sterren.
Ik stijg, ik val niet neen, ik word de lucht,
een levend wezen van wind en wil, geen zwaarte die mij buigt.
Ik ben de draak, ik ben de vlucht,
De vrijheid zelf, oneind’ge zucht.
Geen ketens binden, geen aardse band,
De hemel is mijn ware vaderland.
De Melkweg stroomt in zilveren rivier,
Mijn draconisch hart, eindeloos en fier.
Ik zweef door nevels; tijdloos, wijd,
Een kind der sterren; ongebonden, vrij.
De sterren fluisteren mijn naam,
en ik, ik dans temidden van hun licht,
een schaduw die zich vermengt met het firmament.
Ik ben de wind die door de dalen suist,
De vlam die doet dansen in donk’re lucht.
ik ben de vrijheid, losgeslagen van tijd en ruimte.
Mijn vleugels dragen mij door maanlicht en melkwegstof,
Voorbij de grenzen van enig mens’lijk zijn.
ik ben één met de hemellichamen,
een draak die niet valt, maar vliegt
oh, wat een extase, wat een roes!
Geen ketens, geen muren, geen grenzen,
alleen de oneindige kosmos en ik,
een eeuwige vlucht, een eindeloos lied.
Want ik ben de storm die over de toppen raast,
ik ben de vonk die in de nacht ontbrandt,
ik ben de vrijheid, puur en ongerept,
En te midden van het universum,
een draak, een dromer, een kind van de hemel.
Wat is het land beneden mij klein!
Een geweefte van groen en bruin,
een wereld die zich uitstrekt, noch mijn geest kan vatten.
Ik ben gebonden aan de lucht,
maar altijd keer ik weer,
als een belofte aan het land dat mij zag geboren worden,
aan de herinnering dat ook de aarde mij roept.
